Evangelieprikje 2015

Vandaag is het in de Kerk nog een specialleke, maar vanaf volgende week zitten we terug in de tijd door het jaar, de gewone zondagen, zeg maar. In het evangelie dat we vandaag lezen, worden Jezus leerlingen opgeroepen ook terug te keren naar hun gewone leven en vanuit dat gewone leven te getuigen van de Blijde Boodschap. De briefing die Jezus hen geeft, is kort maar goed en zeer rijk.

Laten we het eens wat van dichterbij bekijken.

Eerste vaststelling: Jezus stuurt Zijn leerlingen terug naar Galilea, de plek waar het allemaal begonnen is voor Hem en voor hen. Galilea betekent letterlijk “kring der heidenen” en is dus een gebied dat door de vrome joden in Jeruzalem als heidens gezien. De inwoners zijn, in tegenstelling tot die van Samaria bijvoorbeeld, rasechte joden maar door hun contacten met niet-joden en beroepen als vissers en herders worden ze vaak beschouwd als onrein. Van daaruit moet de Blijde Boodschap verkondigd worden. Het is toch op zijn minst opmerkelijk dat het niet gebeurt vanuit Jeruzalem, daar waar men in het hart van de joodse godsdienst zit. Het is natuurlijk moeilijk te achterhalen waarom Jezus Zijn leerlingen naar daar stuurt volgens de evangelist, maar misschien is het gewoon nog maar eens herhalen dat je je geloof in je dagdagelijkse leven gestalte moet geven. Je kan perfect geloven, ook al heb je zeer aardse bezigheden. Geloven in de Blijde Boodschap is niet alleen weggelegd voor diegenen die hun dagen knielend en offerend in de Tempel doorbrengen. Voor mij is zoiets een geruststelling.

Maar de leerlingen moeten niet zomaar naar Galilea gaan. Romantisch als ik ben zou ik ze terug sturen naar de plek waar we elkaar het eerst ontmoet hebben. Voor velen zou dat het meer van Galilea zijn. Maar Jezus stuurt ze niet naar daar maar wel naar een niet nader omschreven berg. Dat die berg niet nader omschreven is, betekent misschien dat het niet gaat over die of die berg, maar gewoon over de berg. En de berg opgaan in de Bijbel is God naderen omdat in het wereldbeeld van toen God in de hemel boven ons zat, een wereldbeeld dat sommigen nog aanhangen als het over de hemel gaat. Wat moeten we daarin lezen? Wil deze tekst zeggen dat de leerlingen anders geworden zijn? Dat ze voldoende gezien en gehoord hebben om wat dichter bij God gesitueerd te kunnen worden? In ieder geval, de plek waarnaar ze terug keren is dezelfde als waar het gestart is, maar het lijkt wel duidelijk dat het op een ander niveau plaats heeft.

Op de knieën om te aanbidden of aarzelend, twijfelend. De eerste Kerk kende al verschillende geledingen van geloven, dat is tot op vandaag niet veranderd. Ook vandaag zijn er verschillende schakeringen in geloven. Maar tot welke categorie ze ook behoren, Jezus nodigt hen uit te getuigen van de Blijde Boodschap en hen te dopen. Dat dopen mag niet zonder gevolg blijven. Na de doop moet hen alles geleerd worden wat de leerlingen van Jezus geleerd hebben.

Om er de eerste leerlingen aan te herinneren dat ze niet dopen in eigen naam, dat ze niet hun Blijde Boodschap aan het verkondigen zijn, is er blijkbaar bij de eerste christenen een consensus om te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Hier nog geen dogma, nog geen hoopgoplopende discussies over de de Drie-Ene God. Die zijn er achteraf wel gekomen en het is maa de vraag of ze iets bijgedragen hebben aan de alledaagse geloofsbeleving van de christen. Voor de eerste christenen was het waarschijnlijk gewoon uitdrukking van wat ze gezien en gehoord hadden. Ze zagen dat Jezus niet sprak en handelde in eigen naam, maar in naam van God. Ze zagen ook dat Hij zich vaak terug trok om kracht te putten uit de gesprekken met God, die Hij “Abba” durfde noemen. Die twee waren zo een dat het voor de volgelingen duidelijk was dat men in Jezus’ spreken en handelen God zelf bezig zag. Jezus was dé Zoon van God. Ze zagen en voelden ook dat nu zij er alleen voor stonden er toch nog iets was wat hen dreef. Ze voelden hetzelfde vuur dat Jezus al die tijd dreef en ze zagen het als een geschenk van Jezus zelf: Zijn Geest. Vader, Zoon en Geest dienen dus vooral om uit te drukken hoe sterk verbonden die drie waren.

Ook al zegt het Vlaams spreekwoord dat het venijn in de staart zit, in het evangelie van vandaag geen venijn, integendeel. Jezus belooft Zijn leerlingen, dus ook ons, dat Hij met ons zal zijn tot het einde der tijden. Dus ook als de wereld vergaat, zal Hij bij ons zijn. Lees dus: Hij zal niet kunnen voorkomen dat de wereld vergaat, maar toch zal Hij ons niet loslaten. Geloven is dus geen verzekering die je aangaat voor een rustig en zorgeloos leven, neen, het is er durven op vertrouwen dat God je nooit loslaat en dat je dus nooit je problemen alleen moet dragen. Om dat geloof en vertrouwen overeind te houden is het nodig dat het vuur van het geloof aangewakkerd wordt en kansen krijgt om te getuigen van die Man die Gods Blijde Boodschap geworden is: Jezus de Christus. 

Mogen we bidden voor onszelf en voor elkaar dat dit vertrouwen kan en mag groeien.